Op sterven na dood

Iedere keer opnieuw als ik mezelf de taak opleg om nu dan toch eindelijk eens een keer iets verstandigs te gaan zeggen, valt het besef over me heen hoe volstrekt onmogelijk dat is. Niet moeilijk, niet iets wat je wel kunt als je even je best doet maar waarvoor je je dan wel even echt goed moet concentreren, nee, het is onmogelijk, totaal onmogelijk, het is echt onzin. En dus wordt het ook onzin, altijd weer opnieuw.

Zo is het ook met het thema van dit nummer. Ik moet toegeven dat de uitdrukking 'op sterven na dood' voor mij iets beangstigends heeft. Het zijn woorden als scherp geslepen messen. Niet prettig, ook al weet je dat deze uitdrukking eigenlijk nooit voor levende wezens wordt gebruikt maar voor abstracte begrippen, zoals het Klimaatakkoord van Parijs of de vredesbesprekingen in het Midden-Oosten.
Het probleem met woorden is dat ze een wereld creŽren en zo'n wereld bestaat noodzakelijkerwijs uit tegenstellingen. Dus die ervaar je dan ook! Boven en onder, hier en daar, dood en levend, ik en de wereld, gemoedsrust en angst. Of ik het leuk vind of niet, het is deze geconstrueerde wereld waarin ik leef en dus bang kan worden gemaakt. Alleen wanneer er geen woorden zijn is er geen wereld, geen ik en ook geen angst. Ook geen InZicht trouwens.
Maar wel inzicht! Waar woorden verstommen, daar is woordeloos inzicht. (Gek genoeg is het trouwens ook in de woorden, maar daar valt het niet zo op, om dezelfde reden waarom geluid meestal de stilte onhoorbaar maakt.) Dus mocht ik eens iets verstandigs zeggen in de orde van:

Op sterven na dood
Wie?
Op geboren na levend
Wie?


dan zit het inzicht niet in de woorden, maar in de ruimte die ze openlaten. In InZicht gaat het om woorden, in inzicht gaat het om ruimte. Gelukkig is ook de tegenstelling tussen InZicht en inzicht een geconstrueerde, dus kan ik toch rustig mijn gang gaan en met woorden proberen te beschrijven wat onbeschrijfbaar is. En is InZicht toch een zinvol blad.

Maar nu ter zake. Op sterven na dood, dat zijn we natuurlijk allemaal, ook als we nog maar net geboren zijn. Dus waar hebben we het eigenlijk over? Misschien over tijd, de tijd tussen geboorte en dood die we leven noemen en die door de een als kort, door de ander als lang ervaren wordt. Een vrij technisch onderwerp, waarbij je elkaar met moeilijk definieerbare termen om de oren kunt slaan, meer is het niet. Niet echt iets voor InZicht, zou ik zeggen, eerder iets voor opgewonden praatprogramma's op tv, zoals Pauw en Jinek bijvoorbeeld.
Wat wel interessant is en waar InZicht en inzicht inderdaad met elkaar versmelten, is de ruimte die open gelaten wordt in de tweede en vierde regel van bovenstaand gedicht. Wie?

Wie sterft? Wie wordt geboren? Hierop zijn maar twee antwoorden mogelijk. Het eerste is vanzelfsprekend en zal door vrijwel iedereen automatisch gegeven worden: ik! Het tweede is onzinnig en onmogelijk, wordt zelden gegeven, maar is van een enorme kracht: 0!
Voel de stilte in dit antwoord, de leegte. Hier is geen antwoord en wie geen antwoord geeft, zal niet alleen de vraag maar ook het "Wie?" voelen oplossen in het niets. Om dat niets gaat het, niet om het antwoord.

En wie weet sluit het een het ander niet uit. Want in niets is alles. Daar kom ik dus ook mezelf weer tegen. Dood, maar springlevend. Het is de paradox waar je altijd op uitkomt. De illusie van of dood of levend te zijn beneemt ons het uitzicht op het perspectief dat boven alle tegenstellingen uitgaat. En dat is goed zo. Ik hoef geen inzicht te verwerven. Inzicht is er gewoon, onafhankelijk van wat ik zeg of niet zeg, doe of niet doe. Ik ga daar niet over. Gelukkig maar.

Gepubliceerd in InZicht jrg 20, nr.4, november 2019



Terug